RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Gedicht Greshoff
(2 april 2014)


Hallo Rozemarijn,

Op dit moment zijn wij op school bezig met het analyseren van gedichten. Als afsluiten moeten wij een monding doen over 10 verschillende gedichten. Een van deze gedichten is 'Liefdesverklaring' van J. Greshoff.

Het gedicht spreekt mij heel erg aan, alleen vind ik het heel lastig om het te analyseren. Voor een paar van mijn andere gedichten heb ik uw site gebruikt, en dit heeft mij erg geholpen. Zou u mij kunnen helpen met dit gedicht?

Groetjes, Boukje.

---

Liefdesverklaring

Ik houd zo van die donkre burgerheren
Die langzaam wandlen over 't Velperplein
In deze koele winterzonneschijn:
De dominee, de dokter, de notaris
En 't klerkje dat vandaag wat vroeger klaar is.
Maar 't kan verkeren.

Zo onmiskenbaar ziet men aan hun kleren
Dat zij rechtvaardig zijn, terwijl de plicht
Die eedle lijnen groefde in hun gezicht:
De dominee, de dokter, de notaris,
Drievuldig beeld van al wat wijs en waar is.
Maar 't kan verkeren.

Op aarde valt voor hen niets meer te leren,
Zij zijn volkomen gaaf en afgerond,
Oud-liberaal, wantrouwend en gezond:
De dominee, de dokter, de notaris,
Voor wie de liefde zelfs zonder gevaar is.
Maar 't kan verkeren.

Zij gaan zich nu voorzichtig laten scheren,
Om daarna, met ervaring en verstand,
Een glas te drinken op het heil van 't land:
De dominee, de dokter, de notaris.
'k Weet geen probleem dat hun na zes te zwaar is.
Maar 't kan verkeren.

Ik houd zo van die zindelijke heren,
Levende monumenten op het plein
In deze veel te heldre winterschijn:
De dominee, de dokter, de notaris,
Die denken dat uw dichter niet goed gaar is.
Maar 't kan verkeren!


Jan Greshoff (1888-1971)
In: Bij feestelijke gelegenheden (1930).




Antwoord     (3 april 2014)


Dag Boukje,

Wat een enorm aantal gedichten moet je analyseren, zeg. Een hele klus. Ik begrijp dat je vastloopt op dit gedicht van Greshoff, ik vind dit ook een lastig gedicht.

Het gedicht is gepubliceerd in 1930 en verwijst naar maatschappelijke verhoudingen uit het eind van de 19e en de eerste decennia van de twintigste eeuw. Die zijn niet zoals wij die nu kennen en staan daarom ver van ons af, we voelen die maatschappelijke standen van toen niet meer vanzelfsprekend aan. Ik moet eerlijk bekennen dat ik zelf weinig thuis ben in de negentiende eeuwse maatschappij, ik zal daardoor ongetwijfeld niet alles uit dit gedicht halen, maar hieronder toch een poging tot in ieder geval een aanzet.

Allereerst een heel concrete aanwijzing: het Velperplein (r. 2). Dit is een werkelijk bestaand plein en ligt in Arnhem. Greshoff werkte van 1920 tot 1923 bij de Nieuwe Arnhemse Courant en verhuisde in 1927 van Arnhem naar Brussel. Dat betekent dat hij dit plein in Arnhem uit eigen ervaring kent en zo'n biografisch element suggereert dat dit gedicht mogelijk vanuit eigen ervaring is geschreven - het zou zo kunnen zijn dat het lyrische 'ik' in dit gedicht samenvalt met de dichter Jan Greshoff en dat de opvattingen die eruit spreken, zijn eigen opvattingen zijn.

Welke opvattingen spreken er dan uit dit gedicht?

Het gedicht draait om 3 personen, in elke strofe weer herhaald: de dominee, de dokter en de notaris. Dit zijn drie beroepen die enkele overeenkomsten hebben: je moet ervoor hebben gestudeerd aan een universiteit (theologie, geneeskunde, rechten), het zijn 'notabelen' (de voorname, vooraanstaande mensen) van de stad, ze horen bij 'de hoge heren'. Wat doen deze heren? Zij 'wandelen' over het Velperplein (str. 1), ze gaan zich 'laten scheren' (str. 4) en een 'glas drinken' (str. 4). Ze doen dus niet zoveel bijzonders in dit gedicht.


In elke strofe worden zij op een bepaalde manier gekarakteriseerd.


Stofe 1. Het zijn 'donkere burgerheren'. Donker lijkt mij te verwijzen naar de kleur van hun pak, hun kleren (str. 2). Het woord 'burgerheren' zegt aan de ene kant dat het burgers zijn, geen adel ofzo; maar dat het wel 'heren' zijn, geen doorsnee burgers. Hoewel de standen niet zo uitdrukkelijk zijn, is er in de 19e/begin 20e eeuwse maatschappij toch onderscheid tussen de hoge heren, de gewone burgers, fabrieksarbeiders, boeren, enz.

Strofe 2. Aan hun kleren kun je al zien dat zij 'rechtvaardig' zijn. Dit lijkt mij een hyperbool, een overdrijving - het is zo onwaarschijnlijk, dat het alleen ironisch (schijnbaar ernstig, maar spottend bedoeld) bedoeld kan zijn. De 'plicht' heeft 'edele lijnen' in hun gezicht gegroefd - opnieuw ironisch, lijkt mij; hoe zou je dat in 's hemelsnaam aan een rimpel kunnen zien, en welke rimpel is 'edel' en welke niet? De overdrijving wordt dan nog verder opgevoerd: zij zijn 'een drievuldig beeld van al wat wijs en waar is'. De drievuldigheid verwijst naar een christelijk godsbeeld, en goddelijke proporties hebben deze hoge heren toch niet... Opnieuw een hyperbool die ironisch bedoeld moet zijn.

Strofe 3. De overdrijving gaat onverminderd door: mensen voor wie op aarde 'niets meer te leren' valt, bestaan niet, 'volkomen gaaf en afgerond' evenmin. Deze lofzang wordt zo onwaarschijnlijk, dat zij lachwekkend wordt. Door deze kenmerken aan de heren toe te schrijven, worden zijn pompeus en hoogdravend, hoogverheven neerkijkend op de gewone sterveling.

Strofe 4. Hun handelingen zijn vervolgens niet zo verheven: ze laten zich scheren en drinken wat: 'met ervaring en verstand' drinken zij 'op het heil van het land' - opnieuw ironisch, alsof zij op een soort intellectuele manier zouden drinken, zij drinken echt niet anders dan simpele zielen.

Strofe 5. 'Zindelijk' wil zoveel zeggen als: fatsoenlijk, deftig. De heren zijn 'levende monumenten' en dat lijkt mij geen compliment. Zij zijn uit de tijd, achterhaald.

De beginzin, 'ik houd zo van', wordt in de laatste strofe herhaald, en krijgt zo extra nadruk. Dit komt ook overeen met de titel 'Liefdesverklaring'. Maar door de sterke overdrijvingen en de ironische omschrijvingen van de heren, wordt ook deze zin 'ik houd zo van' ironisch, spottend. De 'ik' houd helemaal niet van de burgerheren, hij roept een pompeus, te hoogdravend, achterhaald beeld op; van academici die hun 'ervaring en verstand' niet gebruiken om te werken (dat komt in het hele gedicht niet voor), maar om in sjieke kleren over een plein te flaneren en samen een glaasje te drinken.

Elke strofe sluit dan ook af met de regel 'Het kan verkeren' - ik houd zo van ze, maar... dat kan veranderen, het kan omslaan in z'n tegendeel. Het tegendeel van wat er in de strofen wordt beweerd zou wel eens waar kunnen zijn (deze heren zijn helemaal niet zo rechtvaardig, zo edel, zo gaaf, zo verstandig, enz.).

In de slotstrofe wordt aangegeven hoe de hoge heren denken over dichters: de dichter is 'niet goed gaar', wat zoveel lijkt te betekenen als niet goed wijs zijn, of halfgaar zijn, gek, gestoord. Maar, volgt dan de slotregel, ook dat kan verkeren, ook die opvatting kan veranderen, het tegendeel zou wel eens waar kunnen blijken te zijn. Het verstand en het gelijk zou wel eens bij de schrijver, de dichter kunnen zitten, in plaats van bij de hoge heren.


In hoeverre komt nu de opvatting die uit dit gedicht spreekt, overeen met die van Greshoff? Jan Greshoff staat (onder meer) bekend om zijn rijmvaardigheid, zijn gewone, nuchtere woordgebruik, zijn ironie, spot en sarcasme en zijn anti-burgerlijke houding (zie links onderaan deze mail). Hij houdt van averechts (tegendraads) zijn, is ondogmatisch en nonconformistisch en bestrijdt oppervlakkigheid. Hij schreef vele hekeldichten tegen de duffe burgerlijkheid.

Al deze dingen zien we terug in dit gedicht. Jan Greshoff drijft in dit gedicht de spot met het gevoel van notabelen dat zij boven het gewone volk verheven zijn, en is kritisch over de tweedeling tussen gewone burgers en hoge heren. Het lijkt erop de opvattingen van de 'ik', de 'dichter' in dit gedicht, naadloos samenvallen met die van Greshoff zelf.

Het rijmschema zit knap in elkaar (abbcca) en is het hele gedicht strak volgehouden, waarbij de klank a en c steeds overeenkomen (-eren en -aris) en de slotwoorden van de 4e en 6e regels steeds zelfs exact dezelfde zijn (notaris en verkeren). Ook het metrum (jambe) en de regellengte zijn heel regelmatig. Het woordgebruik is gewone spreektaal en komt ondanks de beperkingen van het strikte rijmschema zelden gezocht of gekunsteld over.


Ik hoop dat dit je verder brengt met het bespreken van dit gedicht. Veel succes met het afmaken van analyses. Je kunt mijn website als bron opgeven.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.

Gedichten met een bespreking

---

Biografie en thema's Jan Greshoff:

http://resources.huygens.knaw.nl/
bwn1880-2000/lemmata/bwn1/greshoff

http://www.dbnl.org/tekst/
bork001nede01_01/bork001nede01_01_0496.php

http://www.dbnl.org/tekst/
laan005lett01_01/laan005lett01_01_2661.php





Re:     (3 april 2014)


Hallo Rozemarijn,

Allereerst heel erg bedankt voor uw snelle reactie. Uw analyse helpt mij zeker om het gedicht beter te kunnen begrijpen. Nu vind ik het gedicht eigenlijk nog leuker. Heel erg bedankt!

Groetjes, Boukje.





Re:     (3 april 2014)


Dag Boukje,

dat ben ik nou helemaal met je eens, dat je een gedicht met veel meer plezier leest als je het in z'n historische context kunt plaatsen, waardoor de inhoud veel begrijpelijker wordt.

Ik ben blij dat je wat aan m'n bespreking hebt gehad. Nogmaals succes met je verslag!

Met vriendelijke groet!

Rozemarijn.

Gedichten met een bespreking








Versanalyse en interpretatie


Home        Gastenboek        Gastenboek 2014