RozemarijnOnline




Gastenboek van RozemarijnOnline






















Gastenboek literaire website RozemarijnOnline

Vraag en antwoord

home           gastenboek




Onderwerp: Metrum bij Achterberg
(18 december 2014)


Beste Rozemarijn,

Al een aantal maal heb ik uw website geraadpleegd voor informatie over het analyseren van gedichten.

Volgend jaar ga ik staatsexamen doen, waaronder voor Nederlands en Engels, daar zit als opdracht bij het kunnen analyseren van gedichten. Omdat ik vastloop op het metrum wilde ik u vragen om mij met één gedicht te willen helpen? U zou me daar geweldig blij mee maken, ik kan namelijk niet alles online vinden en ben dan niet zeker of ik het goed begrepen en goed gemaakt heb.

Ik zal maar zo brutaal zijn om meteen het gedicht waarmee ik bezig ben geweest hier op te schrijven met mijn bevindingen erbij.

Wanneer u dit voor mij zou willen controleren en wellicht nog tips hebt over wat ik beter/anders kan doen of eventueel niet heb vermeld maar wat wel cruciaal is voor mijn cijfer sta ik daar zeker open voor.

Bij voorbaat heel, heel erg bedankt voor de moeite die u eventueel wilt nemen.

Met vriendelijke groet,

Tessa.

---

Afspraak


Nu de lantarens aangaan in de schemer,
Wordt ieder huis zachtzinnig als een vrouw.
Ik adem vroegere verwachting, die zich nog weer
tot d'oude werkelijkheid vervullen wou.

Gij hebt mij bij het kerkhof afgesproken.
Met kloppend hart ga ik de laatste straat.
O uur dat nooit vergaat, hoewel ik word bedrogen,
o hart dat klopt, hoewel het niet meer slaat


Gerrit Achterberg



Volgens mij moet het dan zijn:
Gedicht bestaat uit twee strofen, eerste en tweede strofe hebben elk 4 versregels, ofwel tweemaal kwatrijn

Het rijmschema eerste strofe ABCB (gebroken rijm), tweede strofe DEDE (gekruist rijm)

Vierde regel eerste strofe d'oude is elisie
Regel 1,5,6 en 8 bevatten assonantie (hoe verwoord ik dit correct?)
1 lantarens aangaan
5 gij mij bij
6 ga laatste straat
8 hart dat

Dit gedicht heeft geen metrum, althans het metrum dat ik bij dit gedicht heb is het volgende:
v v v - v - v v v - v
- - v - v - v v v -
v - v - v v v - v v v - v
- - - v - v v - v -

v - v v v - v - v - v
v - v - - v v - v -
- v - v - - v v - v - v
- v - - v v v v -

Geen logica in elk geval, dus naar mijn idee geen metrum.







Antwoord     (19 december 2014)


Dag Tessa,

ik kan zien dat je al heel uitgebreid naar het gedicht hebt gekeken en er grondig over hebt nagedacht. Dit lijkt mij alleen al reden voor een dikke voldoende, als het aan mij zou liggen. Ik kijk even met je mee.

Het gaat inderdaad om twee kwatrijnen, met gebroken en gekruist rijm (wel zijn hierbij r. 5 en 7 assonerend rijm, geen volrijm). Een aantal regels bevatten inderdaad assonantie. Echter, volgens sommige lesboeken, moet het gaan om betekenisvolle woorden om mee te tellen voor bewust gebruik van assonantie door de dichter (geen woorden als: de, een, het, en, dat, enz). In dat geval zou iets als hart-dat niet meetellen. Het hangt ervan af, wat de definitie is in het lesboek dat jullie gebruiken.



Dan het metrum. Ik zie hierin een jambe (met vijf- en zesjambische versregels). Hoewel je formeel grotendeels gelijk hebt met je analyse van de heffingen en dalingen, kun je toch een woord dat in proza onbeklemtoond zou zijn, in poezie eenvoudig een nadruk meegeven om in het metrum door te kunnen lezen.

Ik lees het dan zo (benadrukte lettergrepen zijn hier vet; onbeklemtoonde die toch op een heffing vallen zijn hier cursief):

Nu de lantarens aangaan in de schemer,
Wordt ieder huis zachtzinnig als een vrouw.
Ik adem vroegere verwachting, die zich nog weer
tot d'oude werkelijkheid vervullen wou.     (werk'lijkheid)

Gij hebt mij bij het kerkhof afgesproken.
Met kloppend hart ga ik de laatste straat.
O uur dat nooit vergaat, hoewel ik word bedrogen,
o hart dat klopt, hoewel het niet meer slaat.

Als je hardop leest, kun je eenvoudig de sterke lettergrepen met je vingers meetellen. In r. 4 moet je een lettergeep van het woord 'werkelijkheid' samentrekken (elisie) om in het metrum te blijven (maar dat ligt dicht tegen de natuurlijke uitspraak die mogelijk is bij dat woord). Als je meetelt, zie je nu eenvoudig dat r. 3 en r. 7 zesjambische regels zijn, de anderen vijfjambische (de opbouw van beide strofen is dus gelijk, in beide gevallen is de derde regel langer).

Antimetrie, en heffingen op onbeklemtoonde lettergrepen (cursief gezet), worden vaak gebruikt om te voorkomen dat het gedicht een 'dreun' gaan worden - de vaste regelmaat wordt iets verzacht, de dreun van een jambe wordt iets verdoezeld. Maar natuurlijk geeft het de dichter ook meer vrijheid om een tekst te schrijven, het is heel lastig om consequent (om het woord) een klemtoon op een heffing te krijgen. (N.B.: als je het gedicht zou moeten voordragen, moet je natuurlijk niet ineens die onbeklemtoonde lettergrepen zwaar gaan benadrukken, maar gewoon natuurlijk lezen - het helpt je juist om een dreun te vermijden).

Er zijn regels die echter vrijwel perfect aan de jambe voldoen (bijv.: wordt ieder huis zachtzinnig als een vrouw - alleen 'als' is eigenlijk onbeklemtoond) en dat zet je op het spoor. En voor de andere regels geldt: als je doorleest in een jambe, kom je steeds goed uit (de beklemtoonde lettergrepen vallen steeds op plaatsen waar je volgens het jambe ook een beklemtoonde lettergreep verwacht). Dat is bij volledig vrije verzen, zonder vast metrum, niet het geval.

(De vormvastheid van het gedicht, vaste strofen, ongeveer gelijke regellengtes, zet je al op het spoor dat de dichter ook wel eens een vast metrum kan hebben gebruikt; de kans is groter dan bij een vrij vers).



Ik kende dit gedicht van Achterberg niet; het past inhoudelijk bij het grote thema in zijn werk (de onbereikbare geliefde). Hier lijkt het mij te gaan om een vrouw die overleden is en ligt begraven op het kerkhof. Het begint te schemeren, de lantarens gaan aan en de 'ik' voelt een verwachting zoals hij die vroeger ook had en wil dat deze weer vervuld zal worden, zoals vroeger. Maar dat is een 'oude werkelijkheid', blijkbaar is er nu een nieuwe, andere werkelijkheid.

Strofe 2: hij gaat naar het kerkhof, hij loopt de laatste straat door, zijn hart klopt (van de verwachting uit r3). Hier stopt de voortgang van de handeling - de 'ik' komt niet aan bij het kerkhof, de ontmoeting vindt niet plaats, het beeld blijft stilstaan op weg erheen. Hij slaakt een verzuchting of uitroep om een uur dat 'nooit vergaat', hoewel hij wordt bedrogen - er is blijkbaar een moment dat voor hem nooit voorbij gaat (nooit vergaat), hoewel dat bedriegelijk is: een uur gaat natuurlijk altijd wel voorbij.

De laatste zin is een schijnbare tegenstelling, een paradox (een hart dat klopt, maar niet slaat, lijkt onmogelijk). Mijn interpretatie zou zijn dat de 'gij' (mogelijk een geliefde) in het uur dat nooit voorbij gaat nog een kloppend hart heeft (of in de beleving of verwachting van de 'ik' zij nog een kloppend hart heeft), maar in de huidige werkelijkheid begraven ligt op het kerkhof en dus een hart heeft dat nu niet meer slaat. Maar omdat voor de 'ik' dat vroegere moment (uit r 3-4 of wellicht uit r 6) nooit voorbij gaat, heeft zij een hart dat klopt, maar nu niet meer slaat. (Het uur dat nooit vergaat kan slaan op de oude werkelijkheid uit r. 3-4, of eventueel ook op het lopen door de straat (r 6), dat moment gaat niet voorbij, omdat het gedicht niet verder gaat, stil blijft staan op dat moment. In dat moment kan hij nog verwachtingen koesteren).

Hoe dan ook, in mijn lezing gaat het bij het kloppende hart in r6 en dat in r8 dus om een ander hart (eerst van de 'ik', dan van de 'gij') - ook omdat ik geen betekenisvolle samenhang kan vinden als je erin zou lezen dat het beide keren om het hart van de 'ik' gaat. In zijn 'oude werkelijkheid' valt het beeld van de 'ik', met een kloppend hart, en het beeld van de 'gij', met een kloppend hart, dus samen. In de huidige werkelijkheid van het gedicht, is de 'gij' juist tegengesteld - zogauw hij zou aankomen op het kerkhof, zou hij onder ogen moeten zien dat de 'gij' een hart heeft dat niet slaat; en onbereikbaar is (begraven op het kerkhof) voor de 'ik'. Deze interpretatie zou ook aansluitend bij het grote thema in Achterbergs poezie, dat van de onbereikbare geliefde.



Ook in de titel draait het om de 'Afspraak', een woord waarin een verwachting, een toekomstige ontmoeting, ligt besloten. Deze verwachting wordt niet ingelost - het gedicht eindigt met het beeld van het op weg zijn naar een ontmoeting. Het gaat ook niet om die ontmoeting (anders zou het gedicht wel 'Ontmoeting' heten), maar om een verwachting, een verlangen naar een ontmoeting die onmogelijk is en niet plaatsvindt.



Tot zover hoe ik Achterbergs gedicht opvat. Ik wens je veel succes, Tessa, bij het voorbereiden van je examen. Je gaat het vast heel goed doen, want inzet en doorzettingsvermogen zijn bij studeren het halve werk.

Met vriendelijke groet,

Rozemarijn.

Metrum bepalen van gedichten





Antwoord     (19 december 2014)


Beste Rozemarijn,

Heel erg bedankt voor het uitgebreide antwoord, dit helpt mij ook heel erg bij de analysatie van andere gedichten.

Een hele fijne Kerst gewenst en nogmaals bedankt.

Met vriendelijke groet,

Tessa.








Versanalyse en interpretatie


Home        Gastenboek        Gastenboek 2014