RozemarijnOnline




Poëzie:
stijlfiguren



























Overzicht verschillende stijlfiguren





- inversie, omgekeerde woordorde. Belangrijkste deel van de zin voor de persoonsvorm.

- prolepsis, vooropplaatsing. Belangrijkste deel van de zin voor het onderwerp.

- repetitio, herhaling van woorden.

- parallellisme, gelijk zinsverloop. Nadruk, plechtigheid, bezwerend.

- ellips, weglating. Levert onvolledige zinsbouw op.

- chiasme, kruisstelling. Twee bij elkaar behorende zinnen zijn, wat woordschikking betreft, elkaars spiegelbeeld.

- enumeratie, opsomming (kan eindigen in climax of anti-climax).

- amplificatie, verbreding. Breedvoerigheid, allerlei gezichtspunten.

- perifrase, omschrijving i.p.v. kernwoord.

- distanzstellung, plaatsing op afstand. Woorden die syntactisch bij elkaar horen, worden gescheiden.

- retorische vraag. Wordt geen antwoord op verwacht. Mededeling in de vorm van een vraag.

- allocutie, aanspreking. Lezer wordt toegesproken of dingen, abstracte begrippen.

- hyperbool, overdrijving. Tegenstelling van understatement, opzettelijke afzwakking.

- antithese, tegenstellingen naast elkaar zetten.

- paradox, schijnbare tegenstelling. Op het eerste gezicht klopt er iets niet.

- zelfcorrectie.

- eufemisme, verzachting. Iets minder direct, afgezwakt zeggen.

- ironie. Schijnbaar ernstig, maar bedoeld om te spotten. Tegengestelde wordt bedoeld, of er is sprake van overdrijving. Sterker: sarcasme.

- woordspeling.

- hysteron proteron, het latere vroeger. Chronologie wordt niet aangehouden.

- pleonasme (bijv. nw. betekent hetzelfde als het zelfst. nw.) en tautologie (het begrip wordt nevengeschikt herhaald).









Sluit dit venster om terug te gaan naar de pagina over poëzie van rozemarijnonline.net.

Ben je rechtstreeks op deze pagina terechtgekomen, klik dan hier om naar de pagina over poëzie te gaan.



Artikel Kenmerken poëzie