RozemarijnOnline




Kenmerken
van poëzie































kenmerken van poezie gedichten rijm alliteratie assonantie metrum versvorm beeldspraak stijlfiguren




Over poëzie

Een aantal kenmerken van poëzie uitgelicht

door Rozemarijn van Leeuwen
(1998-2002)



 



Zes mogelijke poëtische kenmerken van een gedicht


Een gedicht is een tekst die afwijkt van proza, omdat er gebruik wordt gemaakt van (een of meerdere) poëtische kenmerken. De dichter, die slechts weinig ruimte in een gedicht tot zijn/haar beschikking heeft, heeft een heel aantal hulpmiddelen om binnen een beperkt aantal zinnen, toch zoveel mogelijk aan betekenis en gevoelswaarde op te roepen.

De volgende zes kenmerken onderscheiden gedichten van proza:

(1)   Poëzie is meer gebonden aan regels en conventies dan proza. De dichter bepaalt de verdeling van zijn zinnen over de regels, bij proza is dat niet zo. Verder kan poëzie gebruik maken van formele kenmerken, die in proza niet voorkomen: regellengte, strofe-indeling, metrum, rijm, alliteratie, assonatie, enz.

(2)   Poëzie is geconcentreerder dan proza. In weinig woorden wordt er veel gezegd of opgeroepen. Poëzie is hierdoor implicieter dan proza. Doordat poëzie zo geconcentreerd is, moet je het vaak ook veel langzamer lezen en herlezen.
Een gedicht is door de geconcentreerdheid bij uitstek geschikt voor het uitdrukken van indrukken, korte anekdotes, innerlijke gebeurtenissen, overpeinzingen, invallen, gedachten, verlangens, idealen, gevoelens, (dag)dromen, enz. De gebruikte thema’s, inhoudelijke elementen en motieven verschillen daardoor van proza. In een roman kan er heel veel aan de orde komen, worden gedachten of motieven gecombineerd, in poezie isoleert de dichter juist één gedachte, gevoel, feit of voorval.

(3)   Gedichten worden bij uitstek gekenmerkt door herhaling. Inhoudelijk komt het ene thema vaak op verschillende manieren / woorden / beelden, of van verschillende kanten, aan de orde. Verder wordt een gedicht vaak gekenmerkt door herhaling van steeds dezelfde (formele) elementen. De herhaling van de ‘versvoet’ vormt de versregel, de herhaling van de versregel vormt een strofe, de herhaling van de strofe vormt een gedicht. Hiernaast kan er sprake zijn van verschillende vormen van klankherhaling: rijm, alliteratie en assonantie.
Herhaling op deze verschillende vlakken kan bijdragen aan de samenhang en eenheid binnen een gedicht.

(4)   Een groot verschil tussen proza en poezie is bladspiegel. Bij poezie is er sprake van ruimtewerking en witeffecten. Dit wordt veroorzaakt doordat de dichter bepaalt waar de zinnen worden afgebroken (niet de grootte van het blad, de rechter kantlijn); door witregels; en door de beperkte lengte van het gedicht.

(5)   Een wezenlijk verschil tussen proza en poëzie is de ambiguïteit (de meerduidigheid) van de poëtische taal. In een roman heeft een taaluiting vaak één betekenis. Schrijvers streven meestal eenduidigheid na. Dichters laten de gecompliceerde betekenis van woorden en zinnen juist liever intact, waardoor er door één taaluiting meer betekenissen worden opgeroepen. Sterker: dichters gebruiken naast lexicale en linguïstische homonymie vaak nog andere manieren (bijvoorbeeld enjambementen of het weglaten van interpunctie) om bewust ambiguïteit op te roepen.

(6)   Tot slot ook belangrijk: het gebruik van beeldspraak en stijlfiguren. Dit zijn weliswaar geen onderscheidende kenmerken van poëzie ten opzichte van proza, maar er wordt in de poëzie wel veel gebruik van gemaakt.


In een gedicht komt niet altijd elk kenmerk voor.



Enkele poetische kenmerken uitgelicht


Hieronder wordt op drie van bovengenoemde punten dieper ingegaan:

- rijm, alliteratie en assonantie (van punt 1);
- metrum en strofe (eveneens punt 1); en
- beeldspraak en stijlfiguren (punt 6).



Rijm, alliteratie en assonantie


Rijm is een opzettelijke klankovereenkomst in woorden.

Rijm stamt nog uit de orale traditie, toen mensen verhalen of belangrijke, memorabele gebeurtenissen nog niet opschreven, maar mondeling aan elkaar vertelden. Een tekst die op rijm staat, is veel makkelijker te onthouden en uit je hoofd te leren (denk aan de negen Muzen, die dochters zijn van Mnemosyne, het geheugen!).


Functie van rijm

Deze functie van rijm is tegenwoordig verdwenen. Waarom wordt er gebruik gemaakt van rijm in pz?

  • Esthetisch, mooi

  • Klanken kunnen heel suggestief zijn, emoties oproepen, er is sprake van een zogenaamde ‘klankwaarde’. Deze wordt sterker door herhaling: alliteratie, assonantie, of rijm. Aangezien een dichter maar weinig ruimte tot zijn beschikking heeft, moet hij die intensief gebruiken; klank is daarbij een goed middel

  • Klankherhaling is ook een bindend element. Het gedicht wordt meer een eenheid

  • Door de terugkeer van de klank aan het einde van de regel wordt de vorm van het vers hoorbaar

  • De verwachting van de rijmklank wekt een zekere spanning op, die gevolgd wordt door ontspanning

  • Woorden kunnen onderstreept worden door rijm (krijgen extra nadruk).


Soorten rijm en klankherhaling

Er worden drie soorten klankherhaling onderscheiden: alliteratie, assonantie en eindrijm.

- Ten eerste alliteratie ofwel beginrijm: herhaling van de eerste medeklinker van een woord (komt al voor in Oudgermaanse pz). Allit. voegt pas klankwaarde toe als ze: elementen verbindt die bij elkaar horen; en op duidelijke plaatsen staan, niet te ver van elkaar af. (Voorbeeld: 'het riep ons, roekelozen, naar raadselige rozen', M. Nijhoff).

- Ten tweede assonantie, ofwel klinkerrijm (herhaling van klinkers). Bijv: 'Honderd klokken doen Londen bonzen' (Kees Stip) geeft qua klank een andere sfeer dan 'Duizend klokken laten Utrecht dreunen'. Staan woorden met een overeenkomstige klinker aan het einde van een regel, dan wordt er wel gesproken van assonerend rijm.

- Ten derde eindrijm: de beklemtoonde klinker plus een of meer medeklinkers aan het einde van de regel zijn gelijk. Bij mannelijk rijm of staand rijm is de beklemtoonde lettergreep de laatste lettergreep (gaan-staan of verstaan-begaan); bij vrouwelijk rijm of slepend rijm volgt er nog een onbeklemtoonde lettergreep (waaien-draaien); en bij glijdend rijm volgen er na de beklemtoonde lettergreep nog twee onbeklemtoonde (hinderen-verminderen).

Varianten eindrijm: acconsonerend rijm (alleen medeklinkers rijmen: kust-mist); assonerend rijm (alleen herhaling klinkers: kwam-gras-pad); rijk rijm / rime riche (woord wordt in z'n geheel herhaald); dubbelrijm (meerdere beklemtoonde lettergrepen rijmen, bijv. van Daan Zonderland: 'Een oude man in Gaasterland / die nam een bronzen vaas ter hand').

Als rijmparen op een vaste manier worden herhaald, ontstaat er een vast rijmschema. Je bepaalt een rijmschema door elk nieuw rijmwoord de volgende letter van het alfabet te geven. Voorbeelden van vaste rijmschema's:
  • gepaard rijm  (aabb)
  • gekruist rijm  (abab)
  • omarmd rijm  (abba)
  • gebroken rijm  (abcb of abca).

Voorbeeld bepalen eindrijm. Geef elke rijmklank dus de volgende letter van het alfabet; en geef een terugkerende rijmklank dezelfde letter:

Schuitje varen, theetje drinken
varen wij naar de overtoom
drinken wij zoete melk met room
zoete melk met brokken
kindje mag niet jokken
inken = a
oom = b
oom = b
okken = c
okken = c

Het rijmschema van dit versje is dus: abbcc. Je ziet nu eenvoudig dat er weesrijm in voorkomt: de a (drinken) keert niet terug en komt dus maar één keer voor. Zie uitgebreider voorbeeld in het gastenboekberichtje rijmschema gedicht Bloem.

Naast eindrijm kunnen ook op andere plekken in het gedicht rijmende woorden staan. Binnenrijm (binnen een versregel: 'merk toch hoe sterk'), middenrijm (midden in ene versregel op een woord midden in volgende versregel), voorrijm (eerste lettergrepen van achtereenvolgende regels) en overlooprijm of kettingrijm (laatste woord op eerste woord volgende regel).

Ten slotte: als er in een gedicht één regel geen eindrijm heeft, wordt dat weesrijm genoemd. Vooral in de 20e eeuw maken veel dichters juist géén gebruik van eindrijm. Rijmloze gedichten worden blanke verzen of vrije verzen genoemd.


Gevaren

Er zijn een aantal gevaren bij het gebruik van rijm.

- Stoplappen: een zin wordt alleen maar toegevoegd of een woord alleen maar gebruikt omdat het rijmt; inhoudelijk kun je het (beter) weglaten.

- De inhoud of woordvolgorde ontspoort omdat de dichter zonodig móet rijmen (rijmelarij, sinterklaasgedichten).

- Er kan monotonie ontstaan door eindrijm. Dit kun je vermijden door rijmverdoezeling: enjambementen (zin loopt door, zodat het rijmwoord minder nadruk krijgt); of af en toe halfrijm of weesrijm gebruiken.

- Een verschijnsel waarvan weinig mensen zich bewust zijn, is dat rijm alleen werkt als de klank van de woorden overeenkomt, maar de inhoud verschilt! Als de betekenis van de woorden te dicht bij elkaar ligt of een tegenstelling vormen, valt de spanning weg en verliest rijm zijn kracht. Denk aan de tegenstellingen: iemand-niemand; iets-niets; ooit-nooit; heden-verleden; weten-vergeten; staan-gaan; nodig-overbodig; verschijnen-verdwijnen; of aan overeenkomstige betekenissen, zoals: strand-zand; bepakt en bezakt; huis-thuis; liegen-bedriegen; huilen-pruilen; liedje-melodietje; oren-horen; gapen-slapen; groei-bloei; dom-stom; dansen-sjansen; drinken-klinken; olijk-vrolijk.

- Daarnaast kunnen bepaalde rijmparen overbekend raken en dus versleten, omdat er bijv. in het Nederlands woordcombinaties voor de hand liggen of er weinig rijmt op een bepaald woord. Bekende voorbeelden zijn: denken-wat te schenken; ster-ver; geuren-kleuren; fluisteren-luisteren; zijn-pijn (werkwoord ‘zijn’ komt veel voor); komen-bomen-dromen; mensen-wensen; trouwen-van je houwen; en bijv. ik hou-zoveel van jou (omdat er met deze uitgangen weinig rijmwoorden voor handen zijn en/of de combinaties erg voor de hand liggen).



Metrum, strofe en versvorm


Het meest kenmerkende element van een versvorm is: herhaling. Herhaling van de versvoet vormt de versregel, herhaling van de versregel vormt de strofe, herhaling van de strofe vormt het gedicht.


Versvoet en metrum

Het metrum is een regelmatige herhaling van beklemtoonde lettergrepen. Tussen heffingen zitten maximaal twee onbeklemtoonde lettergrepen. Dit is de basis voor het heffingvers (of accentvers), dat in de Nederlandse poëzie veel voorkomt: herhaling van heffingen, met daartussen een constant aantal dalingen.

De metrische patronen worden gevormd door de kleinste eenheid: de versvoet. Dit zijn:

- jambe      .   —
- trochee      —   .
- dactylus      —   .   .
- anapest      .   .   —
- amfibrachys      .   —   .

Voorbeeldzinnen met bovengenoemde metrums (of metra):

jambe  (zwak-sterk):
Een nieuwe lente en een nieuw geluid

trochee  (sterk-zwak):
Constantijntje, 't zaligh kijntje

dactylus  (sterk-zwak-zwak):
Grauw is uw hemel en stormig uw strand

anapest  (zwak-zwak-sterk):
Kan het zijn dat de lier, die sinds lang niet meer ruiste

amfibrachus  (zwak-sterk-zwak):
Er stond in het bos een klein huisje te koop

In de Nederlandse poëzie komen jambe (zwak-sterk, oftewel onbeklemtoonde lettergreep, beklemtoonde lettergreep) en trochee (sterk-zwak oftewel beklemtoonde lettergreep, onbeklemtoonde lettergreep) het meest voor als metrum.

Als een beklemtoonde lettergreep op de plaats van een daling staat, wordt dat antimetrie genoemd. Dit woord krijgt hierdoor extra nadruk.
Het samentrekken van een lettergreep (hoord’, ’t, enz.) omwille van het metrum of de regellengte wordt elisie genoemd.

Doordat de dichter een onbeklemtoond woord op een heffing kan zetten, is de notering van een metrum zelden een volledig perfect metrum (dat zou ook een dreun kunnen worden). Maar als je stug doortelt, kom je bij de beklemtoonde lettergrepen altijd goed op een heffing uit. Dit wijst op een vast metrum dat door de dichter is aangehouden. Bij een vrij vers kom je nooit goed uit bij doortellen.

De kern is dat een metrum niet meer of minder is dan een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, die in het hele gedicht wordt volgehouden. Je ontdekt dit metrum het beste, door een gedicht hardop te lezen en met je vingers de klemtonen mee te tellen.

Meer uitleg is te vinden in het gastenboekberichtje: hoe bepaal je een metrum? Zie daar ook het ezelsbruggetje om de namen van metrums te onthouden.



Versregels

Anders dan bij proza, waar de rechterkantlijn of de grootte van het papier de regellengte bepaalt, wordt in het gedicht de lengte van de regel bepaald door de auteur. De versregel wordt gemarkeerd door het eropvolgende wit. Rijm kan het regeleinde extra markeren.

De regel kan zijn opgebouwd met een vaste versvoet. Een versregel met bijv. een jambe als versvoet en met vijf beklemtoonde lettergrepen, wordt een vijf-jambische versregel genoemd.
De lengte van de regel (het aantal (beklemtoonde) lettergrepen) kan op zijn beurt weer worden herhaald in de volgende regels; dit wordt isosyllabie genoemd. Een variant hierop is regels van verschillende lengte, die afwisselend worden herhaald.

Tot slot bepaalt de dichter ook de verdeling van de zinnen over de regels; zinslengte en regellengte kunnen samenvallen, maar dat hoeft niet (enjambementen, versbreking):

- enjambement: een zin loopt door naar de volgende regel (de regel eindigt niet met een punt; zinseinde en regeleinde vallen niet samen).
- versbreking: een zin eindigt middenin een regel (middenin de regel staat een punt).

Het is daarom bij het lezen en interpreteren van een gedicht belangrijk om onderscheid te maken tussen regels en zinnen.


Strofe en versvorm

Veelal bestaat een gedicht uit een aantal strofen: samenhangende versregels, gescheiden door een witregel. Een strofe is inhoudelijk vaak een eenheid (gedachte-eenheid). Binnen de strofe kan de samenhang tot uitdrukking komen in bijv. rijm, klankherhaling, het beeld dat er inhoudelijk in wordt opgeroepen. Samenhangende strofen kunnen weer structuur geven aan het gedicht als geheel (geleding).

Let op: we spreken bij gedichten niet over een 'couplet': dit wordt in liedjes gebruikt waar couplet en refrein zich afwisselen. In gedichten komt zelden een steeds herhaald refrein voor en is er dus zelden aanleiding om te spreken over coupletten en refreinen. Een teksteenheid tussen twee witregels in een gedicht is dus vrijwel altijd een strofe. Een gedicht kan expliciet worden benoemd als een 'strofisch gedicht' (zo heet ook een lied zonder refreinen een 'strofisch lied' i.t.t. een 'refreinlied').

De strofen worden benoemd naar het aantal regels waaruit ze bestaan: distichon (2); terzine (3; een terzine als onderdeel van een sonnet wordt echter een terzet genoemd); kwatrijn (4); quintet (5); sextet (6); septet (7); octaaf (8); novet (9).

Sommige strofenvormen of combinaties van strofen vormen een vaste dichtvorm (bijv. een sonnet).

Klik hier voor een overzicht van soorten dichtvormen.



Beeldspraak


Beeldspraak is: naamsoverdracht om een speciale reden. Twee redenen voor naamsoverdracht:

- de twee elementen waartussen de naamsoverdracht plaats vindt, lijken op elkaar. Beeldspraak op basis van overeenkomst wordt een metafoor genoemd.

- ze lijken niet op elkaar, maar hebben wel iets met elkaar te maken, er is een ander soort verband. Naamsverwisseling met verschuiving Dit heet: metonymia.

Beeldspraak is verrassend en legt verbanden, als het goed is.
Gevaren: wordt het te vaak gebruikt, dan is het niet meer verrassend en verliest het zijn functie: versleten beeldspraak of cliché. Is het beeld overdreven: bombast. Ook kan de samenhang onlogisch of onjuist zijn.


Soorten beeldspraak

Drie soorten beeldspraak.

Metafoor. Object krijgt de naam van een ander object, omdat ze op elkaar lijken.
Hieronder vallen ook: concretisering (levenloze dingen of abstracte begrippen worden als levende wezens gezien); vitalisering (iets abstracts wordt voorgesteld als iets concreets); personificatie (planten, dieren, begrippen worden als levende personen voorgesteld); en synesthesie (zintuigelijke waarnemingen worden aan elkaar gekoppeld).

Vergelijking. Bij een vergelijking vindt gééeen naamsoverdracht plaats.
Mogelijkheden: als-vergelijking; asyndetische vergelijking (zonder verbindingswoord); constructie met van of 2e nv.

Metonymia. Naamsverwisseling met verschuiving; er is een bepaald verband tussen het onderwerp en het beeld.
Mogelijkheden: materiaal-voorwerp; ding-inhoud; maker-gemaakte; geheel-onderdeel (pars pro toto, totum pro parte); bezitter-bezit; leider-groep. Onder metonymia vallen ook wel: symbolen (oeroude symb: de leeuw, witte onschuld; en cultuurgebonden symbolen).



Stijlfiguren


Bewuste afwijkingen van de gewone manier van zeggen, met de bedoeling een of ander effect te bereiken: nadruk, suggestie, spanning, verrassing, vervreemding, speelsheid, verbazing, overtuigingskracht, enz.

Klik hier voor een overzicht van soorten stijlfiguren.



Betekenis van poëtische kenmerken


Bij een gedicht bepalen vorm en inhoud in samenhang met elkaar de betekenis van het gedicht. De bovengenoemde poëtische kenmerken zijn van belang bij het begrijpen en interpreteren van een gedicht. Door je bewust te zijn van het gebruik van deze specifieke poëtische hulpmiddelen, kan de betekenis van een gedicht zich meer ontvouwen dan bij oppervlakkige lezing.

Hoe functioneren deze kenmerken in een gedicht en hoe geven ze mede betekenis aan de inhoud? De samenhang tussen het poëtische en linguistische systeem en concrete voorbeelden van de analyse van enkele gedichten (o.m. Nijhoff, Achterberg) is te vinden op de pagina ‘Versanalyse en interpretatie’ op deze site (zie onderaan de pagina).



Zijweg


Zie ook de vraag in het gastenboek: wat als je zelf gedichten schrijft en je door alle theorie geremd voelt, of door het lezen van gevestigde dichters ontmoedigd voelt? Lees dan: "Ik voel me geremd bij het schrijven van gedichten door te analyseren".



Verder lezen


H. Lodewick, Literaire kunst  (Den Bosch, zonder jaar). Op dbnl.org.

E. van Boven en G. Dorleijn, Literair mechaniek. Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten (Bussum, 1999).

Versanalyse. Red.: W. v.d. Akker, W. Smulders, F. Stolk e.a. Afdeling Moderne letterkunde, Universiteit Utrecht (Utrecht, 1988).




© Het is alleen toegestaan om gegevens van deze pagina over te nemen met gebruikmaking van de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Over poëzie. Een aantal kenmerken van poezie uitgelicht. Zie: www.rozemarijnonline.net.




Aantekeningen voor voordrachten
door Rozemarijn van Leeuwen
gehouden voor het Utrechtse dichterscollectief Ithaka
in de jaren 1998-2002.