RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 2b.  Het visioen en de mystieke ervaring bij Hadewijch

Onderwerpen dit uur:
  • Visioen VI: visioen en mystieke ervaring bij Hadewijch (tegen achtergrond middeleeuwse kosmologie)
  • Middeleeuwse opvattingen over het verschijnsel visioenen
  • De betekenis van 'ghebruken', 'gheeste' en 'minne'
  • Eerste indruk van Hadewijchs godsbeeld
  • Voorlezen visioen VI in het Middelnederlands



Inleiding


We gaan dit uur het zesde visioen van Hadewijch lezen. Eerst in de hertaling, met een toelichting bij de belangrijkste alinea's.

Er zijn van Hadewijch 14 visioenen overgeleverd - waarom lezen we nu als eerste het zesde visioen? Mijns inziens biedt dit de beste ingang in het oeuvre en in de religieuze denkwereld van Hadewijch.

Ten eerste laat dit visioen precies laat zien hoe de visioenen van Hadewijch basaal in elkaar zitten - je zou kunnen zeggen dat dit haar 'prototype', haar 'standaardmodel' visioen is. Ten tweede komen we in dit visioen al haar belangrijkste kernbegrippen tegen: ghebruken, in 'enen gheeste' raken en minne. Ik zal van elk toelichten wat Hadewijch hier precies mee bedoelt.

Ten derde kunnen we aan de hand van dit visioen een helder onderscheid gaan maken tussen twee soorten religieuze ervaringen: visioenen en mystieke ervaringen. We zullen zien hoe deze zich tot elkaar verhouden en beide begrepen kunnen worden vanuit het middeleeuwse wereldbeeld.

Naar aanleiding hiervan zal ik, zoals beloofd, ook uitgebreid ingaan op de vraag hoe de middeleeuwer precies dacht over visioenen en de betekenis ervan.

We krijgen, tot slot, in dit visioen ook een eerste indruk van Hadewijchs godsbeeld. En ook die kenmerken van haar godsbeeld vallen uiteen in twee delen, overeenkomstig met het onderscheid tussen visioen en mystieke ervaring.


Als afsluiting zal ik het visioen dan in z'n geheel voorlezen in het Middelnederlands (met een hertaling om mee te kunnen lezen). Jullie horen dan nog eens, met alle toelichting in jullie achterhoofd, de hele visionaire tekst in z'n geheel langskomen.

En jullie kunnen dan ook horen dat Hadewijch niet alleen prachtig beeldend schrijft, maar ook met een fijnzinnige, poëtische cadans, in mooi klinkend, verfijnd, verzorgd Diets - je kunt als het ware horen waarom Hadewijch wordt beschouwd als schrijfster van formaat, als een van de hoogtepunten van de Middelnederlandse literatuur.



Visioen VI


We gaan naar het zesde visioen. In de Bloemlezing staat op de linker bladzij het Middelnederlands, op de rechter bladzij de hertaling.


Structuur van de tekst

Visioen VI bestaat uit vijf onderdelen:
  1. Aanvang (r.1-20)
    inleiding, opname in de 'geeste' en begin visioen
  2. Engel als middelaar (r.21-34)
    een engel spreekt als middelaar tussen Hadewijch en God
  3. God aanschouwen (r.35-66)
    Hadewijch ziet God en verkrijgt kennis over zowel mens als God
  4. God ervaren (r.67-78)
    dit leidt tot een mystieke eenheidservaring
  5. Afronding (r.79-slot)
    slotwoord en de terugkeer 'in zichzelf'.


We beginnen vooraan, bij de inleiding en het begin van het visioen (onderdeel 1).


Het was op een Driekoningendag. Ik was toen, naar men zei, negentien jaar oud. Ik wilde toen tot onze Heer gaan en ik was in die periode vervuld van begeerte en een overweldigend verlangen naar God - hoe Hij namelijk geeft en neemt wanneer men in Hem verloren is en in genieting (ghebrukenessen) opgenomen; en dit bij hen die Hem in alle opzichten ter wille zijn. Op die dag werd ik daarbij opnieuw sterk door de minne bewogen.

En toen werd ik opgenomen in een geest en ik werd geleid naar waar mij een hoge, ontzagwekkende plaats getoond werd en op die machtige plaats stond een zetel. En die daarop zat kon men niet aankijken en niet begrijpen - zodanig is de waardigheid van de taak die daar boven uitgeoefend moest worden. Zetelen op zo een plaats is iets wat hemels en aards begrip te boven gaat.

Boven die hoge zetel op die hoge plaats, daar zag ik een kroon die alle diademen overtrof en die zo wijd was dat zij alle dingen onder zich besloten hield en buiten die kroon was er niets.


Hadewijch, visioen VI (r. 1-20).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


Dan komt er een engel (onderdeel 2), die eerst Hadewijch introduceert bij God en vervolgens God vraagt om Hadewijch tot hem te volleiden. De engel speelt dus (geheel overeenkomstig met het middeleeuwse wereldbeeld) een bemiddelende rol tussen Hadewijch (het aardse) en God (het empyreum).


Er kwam toen een engel met een gloeiend wierookvat, het gloeide van vuur en rook. Hij knielde voor die hoogste zetelplaats waarboven de kroon hing, en vereerde Hem, zeggende: "O ongekende macht en almachtige, grote Heer, hiermee zij U hulde en eer gebracht door deze vrouw die U komt opzoeken in uw verborgen plaats".

(...)

"Openbaar haar nu dat Gij haar hierheen haalde en leid haar helemaal bij U binnen".


Hadewijch, visioen VI (r. 21-24, 34).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


Ik wil even teruggaan naar de eerste alinea (r. 1-8), die beschrijft wat er vooraf gaat aan het eigenlijke visioen. Wat leeft er in Hadewijch, wat wil ze? Er staat, in de derde regel:


En ik was in die periode vervuld van begeerte en een overweldigend verlangen naar God - hoe Hij namelijk geeft en neemt wanneer men in Hem verloren is en in genieting (ghebrukenessen) opgenomen (...).


Hadewijch, visioen VI (r. 3).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


Hier zien we - nog voordat het visioen zelf begonnen is - een van de belangrijkste kernwoorden van Hadewijch: ghebruken. In het Middelnederlands staat er vanaf het einde van r. 3:


ende ic was te dien tide in begherten ende in oversterken eyskene, wie god nemt ende gheeft die in verlorenheiden van hem, in opnemene van ghebrukenessen (...)


Hadewijch, visioen VI (r. 3).

speaker muziek middelnederlands afspelen   Middelnederlands afspelen  /  of klik hier


Wat wil Hadewijch? Zij wil niet graag een visioen krijgen, zij wil God niet van een afstandje zien, aanschouwen, nee ze voelt een 'begeerte' en een overweldigend 'eisen' naar het verloren zijn in God, naar het opgenomen zijn in ghebrukenessen. Wat bedoelt ze met dat woord 'ghebruken'?



De betekenis van het woord 'ghebruken'


Een belangrijk en steeds terugkerend thema in Hadewijchs werk, is de tegenstelling ghebruken en ghebreken.

In de visioenen schrijft Hadewijch over mystieke ervaringen; momenten dat een mysticus dus zegt zich bewust te zijn van de aanwezigheid van God. Ze benoemt dit vaak met het woord ghebruken. Letterlijk betekent dit woord 'genieten'.

Je ziet hier prachtig hoe in de vroegste religieuze teksten in de volkstaal een woordenschat wordt opgebouwd om je in het Nederlands te kunnen gaan uitdrukken over mystiek, theologie, spiritualiteit. Naast het hier genoemde gebruken zijn dat woorden als: gerinen, orewoet, enicheit, invloeyen, verweentheit, enz. enz.

Je ziet (in het kadertje) bij de betekenissen die worden gegeven in het Middel­nederlandsch Woorden­boek, dat het woord gebruken van zichzelf een vrij neutrale betekenis heeft: 'genieten, smaken'. De intense, in verrukking doorleefde, extatische, mystieke betekenis krijgt het door de context, de inhoudelijke samenhang.

Dan zie je bij Hadewijch twee belangrijke invullingen van het woord. Ten eerste is er het 'genietend een-zijn met God', het genieten van de goddelijke minne. Het is dan dus de ziel die ghebrukelijc de goddelijke liefde ervaart, geniet. Daar zit ook een aspect van liefhebben in bij de mens - je zou de betekenis en gevoelswaarde van ghebruken dus kunnen omschrijven als een soort intens, liefdevol ervaren van de goddelijke liefde.

Betekenis 'gebruken', Middel­nederlandsch Woorden­boek:

• Genieten, genot hebben van, smaken, eene aan­gename gewaar­wording ondervinden

• Iemands omgang genieten, zijne aan­gename of zegen­ende nabij­heid ondervinden

• Genieting des geestes, zalig genot, mystieke omgang

• Genietende, genot­vol, verhef­fend, zalig

Het Ger­maanse 'brui(ken)' is afgeleid van het Latijnse frui: 'genieten (van)' - bijv. frui vita, 'genieten van het leven'.

In Duitse mystiek vind je eenzelfde afleiding: de göttlicher Gebrau­chung.


Het ghebruken bestaat echter ook binnen God zelf, bijvoorbeeld: Hij is 'in de hoogheid van zijn ghebruken' (brief 6). Dan gebruikt Hadewijch het woord dus om het binnen-goddelijke genieten, de binnen-goddelijke liefde aan te duiden.

De teksten die in de Bloemlezing zijn opgenomen, komen uit een uitgave van de visioenen van prof. Mommaers (één van de leden van het Ruusbroecgenootschap in Antwerpen) - en Mommaers vertaalt het met 'genieten'. Maar het betekent eigenlijk méér dan dat. Als je dus 'genieten' ziet staan, kijk dan even naar het Middelnederlands; de kans is groot dat daar dan ghebruken staat - en de betekenis en gevoelswaarde daarvan is dus meer een soort intens, liefdevol ervaren van de goddelijke liefde. Hadewijch schrijft met name over het ghebruken in haar visioenen en brieven.

Maar een mysticus heeft niet voortdurend dat gevoel van de aanwezigheid van God. Ook voor Hadewijch zijn die mystieke ervaringen maar incidentele, korte momenten, gewoonlijk is God niet ervaarbaar hier op aarde, moet ze hier gewoon haar leven leven, in verlatenheid, 'in ellende', zoals zij zegt. Na dat moment van het ghebruken komt het ghebreken, dat zijn de twee polen in Hadewijchs geschriften. Ghebreken (dus het 'gebrek', het 'ontbreken', het 'ontberen') is de ellende en verlatenheid door het afgescheiden zijn van God in het ondermaanse.

Het ghebreken verwijst dus naar het gewone mens-zijn op aarde, in het ondermaanse. En dat is maar goed ook, zegt Hadewijch - we zullen nog zien, in de vierde bijeenkomst, dat zij het heel belangrijk vindt om als mens hier op aarde gewoon haar leven te leven. Maar dat neemt niet weg dat ze dan wel de aanwezigheid van God mist en naar haar geliefde, de minne, verlangt. En dat verwoordt ze vooral in de brieven en de gedichten: het ghebreken, het ontberen van God, eenzaamheid, verlangen.

In het zesde visioen zien we meteen in de eerste passage Hadewijchs verlangen naar het ghebruken; en in het vierde onderdeel, zullen we straks zien, de eigenlijke mystieke passage, gebruikt ze het opnieuw.

ghebruken   ghebreken
genieten; aanwezigheid van God; het intens en liefdevol ervaren van de goddelijke liefde   ontberen; afgescheidenheid van God in het ondermaanse; eenzaamheid, verlangen; aardse leven leven



Vervolg visioen VI: begin visionaire tekst


Hadewijch vervolgt dan, in r. 7, dat zij sterk door de minne wordt beroerd, aangeraakt: 'Op die dag werd ik daarbij opnieuw sterk door de minne bewogen' (beroerd, aangeraakt).

Aangeraakt worden door liefde is iets wat we ook al hebben gezien bij Simone Weil en bij de karmelietes, vorige week. Minne is ongetwijfeld het belangrijkste kernwoord in Hadewijchs mystiek. Ik zal de herkomst en de betekenis ervan bij het vierde onderdeel van dit visioen uitgebreid toelichten, dus daar kom ik op terug.


Dan begint het eigenlijke visioen, vanaf r. 9. Maar dat is dus níet waar Hadewijch naar verlangde. Zij verlangt ernaar om opgenomen te worden in God, naar het ghebruken, het ervaren van Gods liefde, naar de mystieke ervaring (wat straks pas volgt in het vierde onderdeel). In de vorige bijeenkomst hebben we gezien dat zo'n mystieke ervaring wordt beschreven als on-middelijk, zonder middelen, zonder beelden. Hierdoor is het dus nauwelijks onder woorden te brengen.

Hadewijch beschrijft hier, voorafgaand aan de eigenlijke mystieke ervaring, een visioen, een geestelijke ervaring mèt beelden. Zo'n visionair gedeelte in een mystiek tekst heeft een duidelijke functie. Door middel van zo'n visioen maakt zij duidelijk wat de betekenis is van de eigenlijke mystieke beschrijving: de visionaire tekst laat in beelden zien dat zij door een engel wordt begeleid, dat zij in het bovenmaanse is, dat het God is die zij ontmoet.

Dus de beelden van het visioen geven betekenis aan de korte beschrijving van de mystieke ervaring, die in dat visioen is ingebed.

Zoals in de meeste van Hadewijchs visioenen en brieven, herkennen we ook in dit visioen beelden die zij ontleent aan de Bijbel, aan religieuze of theologische schrijvers of aan de christelijke beeldtraditie. De tijd ontbreekt mij om daar uitgebreid op in te gaan (zie hiervoor de bijlage: Literaire verwijzingen en bronnen Hadewijch). Maar neem bijvoorbeeld de zin:

En toen werd ik opgenomen in een geest en ik werd geleid naar waar mij een hoge, ontzagwekkende plaats getoond werd en op die machtige plaats stond een zetel. En die daarop zat ... (visioen VI).

Deze komt sterk overeen met een zin in het nieuwtestamentische bijbelboek Openbaring:

En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon. En Die daarop zat ... (Op. 4:2).

In beide gevallen is het natuurlijk God die op deze zetel of troon zit. We hebben het er vorige week al over gehad (veel gestelde vragen: wetenschap over visioenen) dat de huidige godsdienstpsychologie stelt: 'Een visioen toont altijd datgene waar de visionair reeds in gelooft, in beelden uit zijn religieuze traditie, waarvan hij vaak zelf onderdeel uit gaat maken in dat visioen'. Maar het gaat nu niet om zo'n hedendaagse omschrijving, we gaan nu naar een vraag waar het in deze cursus om draait.



Middeleeuwse opvattingen over het verschijnsel visioenen


Wat vond men in de Middeleeuwen van het verschijnsel van het krijgen van visioenen? Voor de pauze hebben we al gezien dat het krijgen van een visioen mogelijk was binnen het middeleeuwse wereldbeeld. Maar wat gebeurde er dan volgens de middeleeuwer en welke waarde hechtte men eraan?

Verschillende mystici hebben in de Middeleeuwen geschreven over visioenen, dus we kunnen er behoorlijk goed achter komen hoe de middeleeuwer erover dacht. Op de hand-out die ik heb uitgedeeld staan vier fragmenten over visioenen en ik wil daar een paar stukjes uit lezen.

Eerst het fragment van Hildegard van Bingen (12de eeuw), hoe beschrijft zij het verschijnsel visioenen?


Waarlijk, de visioenen die ik heb gezien, die heb ik niet ontvangen in dromen of al slapende, noch in waanzin, niet met de ogen van het lichaam of de oren van de uiterlijke mens, noch in verborgen plaatsen; maar wakend en bij het volle bewustzijn met de ogen en de oren van de innerlijke mens, in open plaatsen, volgens de wil van God. Maar hoe dit gebeurt, is moeilijk te achterhalen voor de sterfelijke mens.


Hildegard van Bingen.


Volgens Hildegard slaapt zij niet als zij visioenen krijgt, het zijn dus géén dromen. Ook is zij niet waanzinnig. En heel belangrijk: de beelden van een visioen komen niet door haar lichamelijke zintuigen heen, maar zij ziet ze met haar 'innerlijke ogen', de ogen van de innerlijke mens of van de ziel. Het is dus volgens haar een bovennatuurlijke of geestelijke ervaring, van iemand die wakker en bij zinnen is.

Ook Jan van Ruusbroec stelt dat een mens een visioen niet met zijn zintuigen waarneemt. Ik lees de eerste alinea van het fragment van Ruusbroec:


Uit deze zielestorm en ongedurigheid van minne worden sommige mensen bijwijlen boven hun zinnen getrokken in de geest; en hun wordt in woorden meegedeeld of in beelden en voorstellingen getoond, een of andere waarheid, waaraan zij of anderen nood hebben, of ook wel eens aan dingen die nog in de toekomst liggen. Dit noemt men openbaringen of visioenen. (...) Dit kan een engel, door Gods kracht, in de mens bewerken.


Jan van Ruusbroec.


Ruusbroec zegt dus dat God in een visioen aan de mens een bepaalde waarheid kan tonen en dat dit gewoonlijk wordt bewerkstelligd door een engel. Dit stemt overeen met hoe er volgens het middeleeuwe wereldbeeld over engelen werd gedacht: we hebben net voor de pauze gezien dat de engel in de Middeleeuwen werd gezien als boodschapper van God, dat God via de engelen met de mens in contact kon treden.

Tot slot een alinea van Teresia van Ávila (16de eeuw). Zij schrijft het volgende:


Vindt de Heer het goed aan de verrukte ziel bepaalde geheimen of sommige hemelse dingen of visioenen met beelden te tonen, dan kan zij ze later verhalen. Het blijft zo in haar geheugen geprent dat ze het nooit vergeet. Zijn het echter visioenen van het verstand [daarmee bedoelt ze ervaringen zonder beelden, mystieke ervaringen] dan is het haar onmogelijk er iets over te zeggen.


Teresia van Ávila.


Hier maakt Teresia onderscheid tussen een visioen en een mystieke ervaring. Bij een visioen worden er 'door de ogen van de ziel' beelden waargenomen, en dit kan diegene naderhand in detail beschrijven. Een mystieke ervaring is een geestelijke ervaring zònder beelden, waarbij het bijna onmogelijk is er achteraf iets over te zeggen.

Een visioen is dus, volgens de middeleeuwer, een waarheid van God, die door engelen in beelden aan de ziel getoond wordt. De mens ziet dit rechtstreeks met zijn geestelijke ogen (de beelden komen niet door de zintuigen heen) en is daarbij wakker en niet waanzinnig. Het sluit daarmee naadloos aan aan hun wereldbeeld, met de negen engelenkoren en engelen als boodschappers van God. Op basis van deze middeleeuwse fragmenten zou je dit als definitie kunnen aanhouden: een visioen is een waarheid van God, die door engelen in beelden aan de ziel getoond wordt.

Wij kunnen misschien in onze tijd aan visioenen denken als een soort hallucinaties of waanbeelden, of zelfs als verzinsels, of - gezien de vele literaire verwijzingen - als literaire verbeelding. En wij zouden de vraag kunnen stellen: is een visioen echt een bovennatuurlijke ervaring, of is het gewoon literatuur, of is het een sterk doorleefd, religieus beeld dat door het brein zelf wordt opgeroepen? Maar dat is in deze cursus niet aan de orde, want wij lezen deze middeleeuwse teksten vanuit die cultuur-historische context: hoe keek het toenmalige publiek aan tegen dit soort teksten, wat zijn de opvattingen van een middeleeuwer over visioenen?

En voor een middeleeuwer (die vertrouwen heeft in de echtheid van de mysticus) is een visioen echt. Wat er wordt getoond is waar. En niet zomaar waar, het is dan een waarheid die als direct van God afkomstig wordt opgevat - als een heilige, verheven, ontzagwekkende boodschap dus. En aangezien zowel Hadewijch als Ruusbroec in hoog aanzien hebben gestaan, zullen er dus vele mensen geloof en waarde aan hun teksten hebben gehecht.

Vanuit dat uitgangspunt zal ik in deze cursus dus, met een historische blik, naar deze middeleeuwse visioenen kijken - niet om te gaan begrijpen wat wij van deze visioenen vinden, maar om een blik te kunnen werpen in het hoofd van Hadewijch en Ruusbroec, om te gaan begrijpen wat hun denkwereld en geloofswereld was.



De betekenis van 'opgenomen in enen gheeste'


Hoe gaat bij Hadewijch zo'n visioen nou in z'n werk? We gaan terug naar het 6de visioen van Hadewijch, naar de tweede alinea die we net hebben gelezen. In r. 9 staat er in het Middelnederlands:


Ende doe werdic op ghenomen in enen geeste


Hadewijch, visioen VI (r. 9).

speaker muziek middelnederlands afspelen   Middelnederlands afspelen  /  of klik hier


Mommaers vertaalt dit eigenlijk niet, hij laat gewoon staan: 'toen werd ik opgenomen in een geest'. Maar wat is nou opgenomen worden in een geest? Hadewijch wordt opgenomen in 'een geest', en dan ziet ze een machtige plaats, een zetel en een kroon; en vervolgens komt er een engel, die haar aanbeveelt bij degene die op die plaats zetelt.

Hadewijchs middeleeuwse publiek wist nu precies wat er aan de hand was! Zij gingen namelijk uit van dat wereldbeeld dat ik voor de pauze heb geschetst. Hadewijch ontmoet een engel die haar naar God leidt; zij is (of beter: haar ziel is) dus in het bovenmaanse. Om precies te zijn: zij is in één van de planetaire sferen, die gevuld zijn met ether en de negen engelenkoren.

In haar eerste visioen vertelt Hadewijch dat ze wordt geleid door een troonengel, die haar op 'al haar wegen zal vergezellen' (ik herhaal daarna het Middelnederlands):


Ende die mi leidde dat was j. inghel vanden tronen die dat onderscheet hebben. Ende op dien selven dach wasic te hem comen met wassene, soe dat ickene hadde ontfaen dat hi soude sijn in miere hoeden ende gheselle in al minen weghen.


Hadewijch, visioen I (r. 23-25).

speaker muziek middelnederlands afspelen   Middelnederlands afspelen  /  of klik hier


 


 


Die mij leidde was een engel, een van de Tronen; en zij hebben de gave van onderscheid. Juist op die dag was ik tot zijn hoogte opgegroeid en ik had verkregen dat hij mij zou behoeden en op al mijn wegen vergezellen.


Hadewijch, visioen I (r. 23-25).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Dan weet de middeleeuwer al helemaal precies waar Hadewijch zich bevindt: je hebt negen engelenkoren, de hoogste drie engelenkoren zijn de tronen, cherubijnen en serafijnen, en zij bevindt in het gezelschap van een troonengel. Dus al heel dicht bij God.

De tronen bevolken de planetaire sfeer van Saturnus - dus waarlijk een zeer bovenmaanse ervaring die zich hoog in de hemel afspeelt. Daarna komen enkel nog de sfeer van het Firmament (met de cherubijnen) en van het Primum Mobile (met de serafijnen) - dus bij de tronen bevind je je al héél dicht bij het empyreum, de woonplaats van God, die in de middeleeuwse kosmologie de hele schepping omhult.

We hebben net voor de pauze de naadloos op elkaar te leggen middeleeuwse afbeeldingen van de negen planetaire sferen en de negen engelenkoren al gezien. Hier nog eens naast elkaar:

middeleeuwse ptolemeische wereldbeeld aarde middelpunt    hildegard scivias visioen engelen

Het geocentrische wereldbeeld met de negen planetaire sferen
en de negen engelenkoren rond de aarde (vlg. Hildegard).

Kortom, het middeleeuwse wereldbeeld maakt duidelijk hoe je het begrip 'in enen gheeste' zou kunnen vertalen. Het woord 'gheeste' duidt hier een engelensfeer aan: Hadewijch bevindt zich in het bovenmaanse, in de wereld van de onstoffelijke ether, in een planetaire sfeer, die zich om de aarde bevindt, bij een van de negen engelenkoren.

Je zult ook altijd zien, dat Hadewijchs visionaire beschrijvingen 'driedimensionaal' zijn: de engel 'toont' haar in het zesde visioen niet iets, maar 'geleid haar naar'. En zoals we volgende week zullen lezen: ze 'ziet' niet een boomgaard, maar loopt er doorheen van boom tot boom. Ze 'ziet' niet een berg, maar beklimt hem.

Dus 'opgenomen worden in een geest' betekent bij Hadewijch: 'opgenomen worden in een planetaire sfeer bij een van de engelenkoren', of kortweg 'opgenomen worden in een engelensfeer'.

De uitdrukking stamt overigens uit het bijbelboek Openbaring, waar het in de Vulgaat in het Latijn zo staat: 'et sustulit me in spiritu' ('en verhief mij in de geest'; 4:2 en 21:10).

Ik pak Teresia er nog even bij. Zij schrijft in de tweede alinea:


Het is zo, dat de geest werkelijk het lichaam schijnt te verlaten. En anderzijds is die persoon duidelijk niet dood. Gedurende enkele ogenblikken is ze echter niet bij machte te zeggen of haar geest al dan niet in haar lichaam is. Het komt haar voor alsof ze helemaal in een ander land was, heel verschillend van dat waarin wij leven. Daar werd haar een ander licht getoond, zo verschillend van het licht hier beneden (...).

Er wordt haar in een oogwenk zoveel bijgebracht dat, al werkten haar verbeelding en haar denken er jaren aan, zij er in geen duizendste in zou slagen ze te rangschikken. Dit is geen visioen van het verstand, maar één met beelden. Het wordt met de ogen van de ziel gezien, veel beter dan wij hier beneden zien met de ogen van het lichaam.


Teresia van Avila.


Even tot zover. Teresia beschrijft het krijgen van een visioen uitdrukkelijk als een buiten-lichamelijke ervaring. En ze noemt de plek waar we ons normaal bevinden 'hier beneden' - ten opzichte dus van het 'land' der visioenen, dat dus 'daar boven' moet zijn (ondermaans-bovenmaans).

Datzelfde element zien we ook terug aan het einde van verschillende visioenen van Hadewijch, waarbij zij beschrijft dat ze 'in zichzelf', 'in de materie', in haar lichaam terugkeert. Bijvoorbeeld het einde van visioen 8:


Keer terug in uw lichaam [kere weder in dine materie] en laat uw werken bloeien. (...)

Toen kwam ik weer in mezelf [in mi selven] (...).


Hadewijch, visioen VIII.

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VIII (Mnl. en hertaling).


Je kunt alleen terugkeren in de materie (in het ondermaanse) als je weg van die materie bent geweest (bovenmaanse, ether).

Voor het type visioenen van zieneressen als Teresia en Hadewijch geldt dus, dat bij een visioen de ziel het lichaam verlaat, naar het bovenmaanse gaat, naar de engelensferen en daar ziet met haar geestelijke ogen. Een visioen of mystieke ervaring is bij hen dus een buiten-lichamelijke geestelijke ervaring.


Dus we zagen zojuist als definitie: Wat is volgens een middeleeuwer een visioen? Dat is een waarheid van God, die door engelen in beelden aan de ziel getoond wordt.

In het type visioenen zoals van Hadewijch kun je daaraan toevoegen: de ziel verlaat daarbij het lichaam, gaat naar de sferen van de engelenkoren en ziet daar met zijn/haar geestelijke ogen.

We zullen echter later bij Ruusbroec nog een andere toelichting zien op de religieuze ervaring, nadat hij zijn mensbeeld heeft uitgelegd. De mens is een micro-kosmos, een weerspiegeling van de kosmos, en het is dan ook logisch dat je religieuze ervaringen, visioenen en mystiek, ook inwendig in de ziel, in de kern van de mens, kunt beschrijven. De mens is immers volgens de middeleeuwer een micro-kosmos en God is transcendent èn immanent. Daarover later dus nog meer.



Vervolg visioen VI: godsbeeld


We gaan terug naar het zesde visioen van Hadewijch. De engel heeft haar aanbevolen bij God en zijn bemiddelende rol gespeeld; we zijn dan aanbeland bij het derde onderdeel. Hadewijch gaat God aanschouwen.

Wat ziet Hadewijch? Bij de aanvang van het visioen zag zij alleen een zetel met een kroon erboven. R. 12: 'Die daarop zat kon men niet aankijken en niet begrijpen'. En nadat de engel heeft gesproken, hoort ze dan een stem die zegt: "Zie wie ik ben" (r. 35).

En dan pas, nadat de stem dat heeft gezegd, is ze in staat om God te zien. Het allereerste wat ze over God zegt, is dat hij licht uitstraalt, r. 37: 'ende ic sach den ghenen dien ic sochte ende sijn anschijn oppenbaerde hem met selker claerheit'.


En toen hoorde ik een stem tot mij spreken, vreselijk en nooit gehoord. In een verschijning sprak ze tot me en zei: "Zie wie ik ben".

En ik zag Degene die ik zocht en zijn aanschijn openbaarde zich zo lichtend. Ik kon er in herkennen al de aanschijnen en al de gestalten die ooit bestaan hebben en bestaan zullen van alle gerechte mensen van wie Hij eer en dienst ontvangt.


Hadewijch, visioen VI (r. 35-41).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


God wordt in dit visioen voorgesteld als een menselijke figuur, met een aanschijn, een gezicht. Even verderop noemt Hadewijch een rechter- en een linkerhand (r.55) en dan ook nog een borst (r.64). En in dat aanschijn (r.40-55), dus in die persoonlijke God, ziet zij alle vormen van leven, alle verschillende verhoudingen tussen mens en God die mogelijk zijn.

Jullie herinneren je van de vorige keer nog wel het citaat van Hildegard van Bingen, die schreef dat zij inzicht kreeg in de Bijbel. Hier komt een soortgelijk aspect terug: de mystica meldt dat zij geestelijk inzicht verkrijgt. In dit geval inzicht in de verhouding mens-God. Een visioen bestaat dus uit zicht èn inzicht - de beelden alleen zijn niet genoeg, ze hebben ook betekenis, leiden tot kennis, leveren inzichten op voor de mysticus.

Dan, vanaf r.60 van het visioen, geeft Hadewijch een beschrijving van God die heel sterk doet denken aan het fragmentje uit brief 22, dat we vorige week hebben gelezen. Nu r.60:


Ic sach sine lingde onder al verdruct. Ic sach sine cleinheit boven al verheven. Ic sach sine verborghentheit begripelec alle dinc omme vloyende, Ic sach sine wijtheit binnen al besloten.


Hadewijch, visioen VI (r. 60).

speaker muziek middelnederlands afspelen   Middelnederlands afspelen  /  of klik hier


 


 


Ik zag zijn grootheid onder alles verdrukt; ik zag zijn kleinheid boven alles verheven; ik zag zijn verborgenheid alles omvatten en omvloeien; ik zag zijn wijdheid binnen alles besloten.


Hadewijch, visioen VI (r. 60).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


Ik herhaal het in het Middelnederlands. Met vier paradoxen geeft Hadewijch aan dat God ìn alles is, immanent, èn alles overstijgt, transcendent.

Hadewijch beschrijft God dus eerst als persoonlijk, als een persoon, een menselijke figuur (met een gezicht en handen). In die persoonlijke God ziet zij alle manieren van leven, alle mogelijke verhoudingen tussen mens en God. Vervolgens beschrijft ze God als niet-persoonlijk, a-persoonlijk, een grootheid, een wijdheid, in alles aanwezig: dus transcendent en immanent. Vorige week hadden we in de verschillende citaten ook al gezien dat mystici God kunnen beschrijven met persoonlijke en niet-persoonlijke omschrijvingen: God is een Ander èn een afgrond, God is een gelaat met een glimlach èn is liefde.

En Hadewijch besluit dan in r. 63: 'Ik hoorde zijn rede en verstond alle rede met mijn rede'. Dus nadat God tegen Hadewijch heeft gezegd 'Zie wie ik ben', krijgt ze niet alleen daadwerkelijk Gods aanschijn en de klaarheid ervan te zien, maar zij neemt ook dingen waar die haar inzicht geven in de verhouding mens-God èn ze verkrijgt godskennnis.



Vervolg visioen: de mystieke eenheidservaring


Dit alles brengt haar zo in verwondering dat ze 'buiten de geest' komt, in r. 67: 'buten den gheeste'. We zijn dan bij het vierde onderdeel van het visioen.

Als je je het Ptolemeïsche wereldbeeld (het geocentrische model van de kosmos) nog even voorstelt, dat bestond grofweg uit drie delen: de aarde, het ondermaanse (woonplaats mens); de planetaire sferen en het firmament, oftewel de engelensferen (woonplaats engelen); en dan het empyreum (woonplaats God).

empyreum   goddelijke
(ongeschapen)
  God
planetaire sferen   bovenmaanse
(ether)
  engelen
aarde   ondermaanse
(materie)
  mens

We zagen zojuist dat 'opgenomen worden in een geest' bij Hadewijch betekent dat haar ziel vanuit de aardse sfeer wordt opgenomen in een geestelijke sfeer, bij de engelenkoren. En vervolgens buten den geeste raken, dus buiten die engelensferen raken, betekent dan in het empyreum komen, waar God is.

Hier, in r.67, begint pas de eigenlijke mystieke ervaring. Tot nu toe zàg Hadewijch God, van een afstand, hier begint de godserváring, de mystieke eenwording.


Maar toen bracht al die rijkdom die ik in Hem had gezien mij in verwondering. En door die verwondering kwam ik buiten de geest waarin ik gezien had al wat ik zocht. Als ik dus zo, in al die rijke weelde, mijn angstwekkende en onuitsprekelijk zoete Lief mocht kennen, viel ik buiten de geest, weg van mezelf en van al wat ik van Hem gezien had - helemaal verloren viel ik aan de verzaligende borst van zijn natuur, de minne.

Daar bleef ik in verzwolgen en verloren, buiten alle begrip: geen weten, noch zien, noch verstaan van iets anders dan een te zijn met Hem en Hem te genieten (ghebrukene). Daarin bleef ik minder dan een half uur.


Hadewijch, visioen VI (r. 67-78).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


Hier zien we dus het woord 'ghebruken' terug, Hadewijchs kernwoord bij het beschrijven van de eigenlijke mystieke eenheidservaring: 'dan ien te wesene met hem ende dies te ghebrukene'. Ik had geen weet meer van iets anders, dan één te zijn met God, en intens en liefdevol de goddelijke liefde te ervaren, te genieten.

Ze heeft geen 'begrip' meer, ze 'ziet' niet meer - overeenkomend met enkele van de mystieke kenmerken die we vorige week in de fragmenten van mystici tegenkwamen. En ook de liefde zien we hier terug.

Hadewijch schrijft dat ze zich verliest in Gods natuur, de minne: '(ic) viel al verloren in die ghebrukeleke borst siere naturen der minnen'. De natuur van God, het wezen van God, beschrijft zij dus als minne, liefde. 'Minne' is waarschijnlijk het belangrijkste kernwoord in Hadewijchs mystieke gedachtegoed.



De betekenis van het woord 'minne'


Tot het ontstaan van mystieke teksten in de volkstaal werd het woord 'minne' in Middel­nederlandse teksten gebruikt in wereldlijke teksten, met name in de hoofse literatuur en in liefdeslyriek. De hoofsheid was als literair ideaal in de 12de eeuw opgekomen. In vroege Germaanse verhalen bestond ware vriendschap, trouw en liefde vooral tussen mannen (wapenbroeders, ridders). In hoofse teksten wordt echter de liefde van een ridder voor een onbereikbare jonkvrouwe geïdealiseerd - aangeduid met het woord 'minne'.

Het woord 'minne' hangt etymologisch samen met het Griekse memini ('herinneren'), het Latijnse mens ('gedachte, geest') en het Engelse mind ('gedachte, geest, bewustzijn'). Het gaat dus om liefde die een mens in zijn gedachte, in zijn (liefdevolle) herinnering, in zijn bewustzijn meedraagt; een innige, verinnerlijkte liefde dus, een geestelijke liefde die de ridder innerlijk vulde en verhief.

In de traditionele, vroegste hoofse literatuur gaat het daarbij steeds om een man die een onbereikbare vrouw aanbidt (om eenrichtingsverkeer dus). Al snel echter, in diezelfde 12de eeuw reeds, komen er ook literaire teksten waarin men een stap verder gaat: een verlangen naar wederzijdse liefde, liefde die daadwerkelijk beantwoord wordt (een ontwikkeling die later leidt tot de romantische liefde).

We hebben van die wederzijdse liefde (met dat woord 'minne') vorige week al een voorbeeld gezien: de 12de-eeuwse liedtekst van Hendrik van Veldeke, waarin hij de liefde van een ik-figuur vergelijkt met die van Tristan en Isolde: 'ende ich sie minne bat dan he' (en dat ik van haar houd, meer dan hij -van Isolde-).

Hadewijch is de eerste die nu dat woord 'minne' uit de hoofse literatuur en de liefdeslyriek in een religieuze tekst gebruikt. In haar geval gaat het eveneens om zo'n innige, innerlijk vullende, verheffende liefde voor een veelal afwezige geliefde (namelijk Christus of God). Een fundamenteel verschil is natuurlijk dat het bij haar niet langer gaat om liefde van een man tot een vrouw, om aardse liefde, maar om een religieuze, spirituele, verheven, juist ònaardse liefde.

Slechts enkele keren ervaart zij de minne - niet op aarde echter, maar tijdens een mystieke ervaring, als haar ziel 'in den gheeste' is opgenomen en 'buten den gheeste' valt. Dus bij een buitenlichamelijke ervaring, niet-zintuigelijk en on-aards. Daarbij sluit zij duidelijk aan bij niet zozeer de eigenlijke, traditionele hoofse liefde (eenrichtingsverkeer), maar bij het daarop aansluitende ideaal van de wederzijdse liefde (meer over de opkomst van de 'minne' in de wereldlijke en geestelijke literatuur van de 12de eeuw bij de VGV: Liefde in de Middeleeuwen).

'Minne' is niet het enige woord dat Hadewijch ontleent aan de wereld­lijke litera­tuur: zij put uit vele bestaande middel­eeuwse registers (woord­gebruik, thema's, beelden en formele kenmerken), o.a. die van:

• de minnelyriek (natur­eingang, stro­fische vorm)

• de hoofse roman (minne, dienst, trouw)

• de ridder-epiek (avon­tuere, fierheit, strijd, dolen)

• Bijbel, religieuze liederen en theo­logen (m.n. Bernardus van Clairvaux en Willem van Saint-Thierry).

Haar teksten zijn dus niet in het lucht­ledige ontstaan - maar sluiten naad­loos aan bij de 13de-eeuwse literaire praktijk en de toen­malige idealen van kundig schrijver­schap: 'conven­tie en variatie'.

Op die beide vlakken is zij een ware meester­es. Zij is zeer goed thuis in de Franse, Latijn­se, Dietse en Bijbelse litera­tuur ('conven­tie') en weet van daaruit met grote wel­bespraakt­heid bestaande begrip­pen en thema­tieken om te vormen naar een religieuze of mystieke beteke­nis ('variatie').

Hadewijch staat als schrijf­ster in de hele Middel­nederlandse religieuze litera­tuur op eenzame hoogte. Maar dat komt niet doordat zij door een soort pure inspi­ratie uit het niets is opge­komen - zij is volko­men geworteld in het denken, geloven, de litera­tuur en de spiri­tualiteit van haar tijd, en heeft van daaruit een uniek, vernieuw­end en doorleefd oeuvre uitge­bouwd.




Slot van visioen VI


Als Hadewijch opgaat in het wezen van God, de minne, kan ze eigenlijk niets meer zeggen, ze ziet niets meer (onzintuigelijk) en alle woorden en beelden schieten tekort, ze raakt buten alle verstannesse ('buiten alle begrip'): 'geen weten, noch zien, noch verstaan van iets anders dan één te zijn met Hem en Hem te genieten (te ghebrukene)'.

Tijdens het visioen zag Hadewijch met de ogen van haar ziel, nu is daar die on-middelijke ervaring, zonder beelden, die mystieke eenheidservaring. De vorige keer hadden we ook gezien dat mystici nauwelijks iets over de godservaring kunnen zeggen. De beschrijving is hier inderdaad ook maar heel kort, van r. 67 tot r. 78, 12 regels maar van de 92 regels van dit visioen.

Dan zijn we aanbeland bij het slot van het zesde visioen, de afronding (het vijfde onderdeel).


Toen werd ik weer opgewekt in een geest en ik begreep weer als tevoren en ik verstond alle woorden.

(...)

En daarmee werd ik weer, zeer tot mijn spijt, teruggebracht in mezelf.


Hadewijch, visioen VI (r. 79-slot).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


In deze passage spreekt de engel, namens God, nog een afsluitend slotwoord. En daarin maakt deze nog een heel curieuze opmerking, in r. 86:


Ik leid u, als god en mens, weer de wrede wereld in: daar zult ge alle soorten van dood proeven, totdat ge weer hier komt om mij ten volle te genieten.


Hadewijch, visioen VI (r. 86).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VI (Mnl. en hertaling).


Met de 'dood' bedoelt Hadewijch trouwens niet het sterven, maar de aardse ervaring van de afwezigheid van God. Dood is bij Hadewijch het afwezig zijn, het niet ervaarbaar zijn van God.

Maar het gaat mij nu om die zin: 'Ik leid u, als god en mens, weer de wrede wereld in'; in het Middelnederlands: 'Ic gheleide di, god ende mensche, weder in die wrede werelt'. Hier wordt Hadewijch 'god en mens' genoemd. Dat is natuurlijk zeer curieus! Op de ideeën over 'goddelijk worden' en 'goddelijk zijn' zal ik de vierde bijeenkomst uitgebreid terugkomen.

En het zesde visioen sluit dan af: 'En daarmee werd ik weer, jammergenoeg, teruggebracht in mijzelf'; 'Ende ic wart met dien weder bracht jamerleke in mi selven'. Ze wordt weer in zichzelf teruggebracht, dus haar ziel wordt weer in haar lichaam gebracht. Terug van het bovenmaanse naar de aarde. Jammergenoeg, jamerleke.


We hebben in het afgelopen uur de grote lijn van het zesde visioen gevolgd, en dit visioen laat goed zien wat Hadewijchs achterliggende denkwereld was. Zij wordt opgenomen in een 'geeste', wordt geleid door een engel, zij ziet God en verkrijgt inzichten (visioen, 'zicht en inzicht')  →  zij ervaart God (mystiek, ghebruken, minne)  →  en keert na afloop weer terug 'in zichzelf', in de materie, in haar lichaam.

Als je het visioen als geheel zo overziet, zou je kunnen zeggen dat de middeleeuwse kosmologie het toneel is waarop Hadewijchs visioenen en mystiek zich afspelen. De drie onderdelen van de visionaire tekst (visioen - mystiek - terugkeer) komen naadloos overeen met de middeleeuwse kosmologie (engelenkoren - empyreum - aarde).

Tijdens een visioen is zij 'opgenomen in enen gheeste' (bij een engel, in een engelensfeer), tijdens de mystieke ervaring raakt zij 'buiten de geest' (verloren en opgenomen in God, in het empyreum) en na afloop keert zij weer 'in de materie', in haar lichaam (het ondermaanse, de aarde).


mystieke eenwording   ghebruken
(ervaren)
  empyreum   goddelijke
(onge­schapen)
  God
visioen   aan­schouwen
(zicht en inzicht)
  planetaire sferen   boven­maanse
(ether)
  engelen
terug 'in dine materie'   ghebreken
(ontberen)
  aarde   onder­maanse
(materie)
  mens




Afronding


Aan het begin van dit uur heb ik een viertal redenen gegeven om juist dit zesde visioen van Hadewijch te gaan lezen. Ik zal deze vier redenen nu kort langslopen om te bekijken wat we daar het afgelopen uur nou over hebben opgestoken.

Ten eerste de structuur van de tekst, hoe dit 'standaardmodel' van de visioenen basaal in elkaar zit. En we zagen dus, dat de beschrijving van de eigenlijke mystieke eenheidservaring, dat extatische, on-middellijke moment zonder woorden en beelden, zit ingebed in een visionaire tekst, die de betekenis ervan voor de toehoorder aanschouwelijk maakt.


Ten tweede hebben we het gehad over het verschil tussen een visioen en een mystieke ervaring: beelden die door engelen aan de ziel worden getoond versus de on-middellijke ervaring van eenwording met God. Haar omschrijvingen hiervan krijgen betekenis vanuit het middeleeuwse wereldbeeld, de middeleeuwse kosmologie: het engelenkoor is het toneel van 'in een geeste' en visionaire beelden; en het empyreum is het toneel van 'buiten de geeste' en de mystieke ervaring.

Ten derde zijn we enkele belangrijke kernbegrippen van Hadewijch tegengekomen, met name 'ghebruken', 'ghebreken', 'opgenomen in enen gheeste' en 'minne'. Als je een goed begrip hebt van wat Hadewijch met deze woorden probeerde uit te drukken, geeft dat je een stevig handvat voor de hele rest van haar oeuvre. We zullen deze begrippen namelijk nog vele malen tegenkomen.


En tot slot heeft dit visioen ons een eerste indruk gegeven van Hadewijchs godsbeeld. En ook bij die karakterisering is een duidelijk onderscheid te maken tussen visioen en mystieke ervaring: het eerste is hoe Hadewijch God ziet, het tweede hoe zij God ervaart.

Beide beschrijft zij duidelijk. Tijdens het visioen: de persoonlijke èn a-persoonlijke God, transcendent èn immanent. Als licht en liefde. En als bron van inzicht: zelfkennis en godskennis. Al deze elementen hebben we de vorige keer gezien bij de vraag 'wat is mystiek'; die hebben hier toen allemaal op het bord gestaan.

En vervolgens bij de eigenlijke mystieke ervaring omschrijft zij de natuur van God, het wezen van God als minne. Ook de liefde stond vorige week natuurlijk in het rijtje op het bord. Volgende week wordt haar godsbeeld echter nog uitgebreid met een geheel nieuw en onverwacht beeld.



Voorlezen visioen VI in zijn geheel in het Middelnederlands


We hebben nu het hele zesde visioen gelezen en uitgebreid besproken. Ik wilde hem nu, als er nog tijd is, nog eens in zijn geheel in het Middelnederlands voorlezen. Jullie hebben nu een beetje een beeld van de tekst en in het oorspronkelijke Middelnederlands hoor je hem dan in Hadewijchs eigen woorden.

Het is ook leuk om een beetje vertrouwd te raken met het Middelnederlands. Je zult ook zien hoe het verschilt; en ook hoe je soms op moet passen met vertalingen. Als je het Middelnederlands moeilijk te volgen vindt, dan kun je ook meelezen met de vertaling terwijl je luistert naar het Middelnederlands.

Helaas heb ik een noord-Nederlandse tongval - het zou natuurlijk eigenlijk voorgelezen moeten worden door iemand die in Brabant is opgegroeid, wat nog veel dichter zou liggen bij hoe Hadewijch geklonken zal hebben. Maar het geeft hopelijk toch een indruk van het Middelnederlands.

Volledige tekst visioen VI, Middelnederlands en hertaling
(afspelen volgt eind 2020).



Samenvatting


In het afgelopen uur hebben we het zesde visioen van Hadewijch gelezen en besproken. Aan de hand van dit visioen hebben we gekeken naar de structuur van Hadewijchs visionaire teksten; het onderscheid tussen visioen en mystiek; enkele belangrijke kernbegrippen; en haar godsbeeld.

•  De structuur van het visioen volgt de middeleeuwse kosmologie: het begint 'in een gheeste' bij een engel (visioen, 'zicht en inzicht'; onderdeel 2-3); daarna valt zij 'buten den gheeste', in het empyreum, in het goddelijke (mystiek, 'ghebruken'; onderdeel 4); en tot slot keert zij terug naar de materie, in zichzelf (de aarde; onderdeel 5).

•  De beelden van het visioen geven betekenis aan de korte beschrijving van de mystieke ervaring, die in dat visioen is ingebed.

•  Hadewijch beschrijft de mystieke ervaring met het Middelnederlandse woord ghebruken (genieten, het intens, liefdevol ervaren van de goddelijke liefde). Dit staat in tegenstelling met het ghebreken (afgescheiden zijn van God in het ondermaanse; eenzaamheid, verlangen, je aardse leven leven).

•  Een visioen is, volgens de middeleeuwer, een waarheid van God, die door engelen in beelden aan de ziel getoond wordt. De ziel kan daarbij het lichaam verlaten en naar de sferen van de engelenkoren gaan, waar hij/zij ziet met zijn/haar geestelijke ogen.

•  Overeenkomstig met het middeleeuwse wereldbeeld betekent het begrip 'opgenomen worden in een geest' (in enen gheeste): 'opgenomen worden in een engelensfeer'. Hier vindt het visioen plaats.

•  Het begrip: 'buiten de geest' raken (buten den gheeste) betekent dan: buiten die engelensferen raken, in het empyreum, in God. Hier vindt de mystieke ervaring plaats.

•  Hadewijch stelt dat zij op twee verschillende manieren godskennis opdoet - overeenkomstig het onderscheid visioen en mystiek. Gedurende een visioen ziet Hadewijch God, gedurende een mystieke eenheidservaring ervaart zij God.

•  Gedurende een visioen zegt Hadewijch God te zien als persoonlijk en a-persoonlijk, als transcendent en immanent. God is een bron van inzicht: zelfkennis en godskennis.

•  Gedurende een mystieke ervaring zegt Hadewijch God te ervaren als minne, als liefde.

•  Het woord 'minne' verwijst naar een innige, innerlijk vullende, verheffende liefde voor een veelal afwezige geliefde.



Bijlage bij deze bijeenkomst:

Literaire verwijzingen en bronnen Hadewijch




De volgende bijeenkomst


De volgende bijeenkomst gaan we uitgebreid kijken naar het leven en de leefwereld van Hadewijch.

Het uur na de pauze, als we verder lezen in het werk van Hadewijch, zal ik eerst nog verder ingaan op haar godsbeeld. Zij voegt daar namelijk een onverwacht beeld aan toe.

Verder lezen we teksten over de wegen, die Hadewijch volgens haar visioenen zou moeten gaan. In de bijeenkomst erna zullen we zien, hoe Hadewijch die wegen integreert in haar leven op aarde.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: Hadewijch en Ruusbroec: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen en mystiek   ↑
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: bruidsmystiek
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >